Pesten

Plagen of Pesten

 pesten

PLAGEN: Kinderen die elkaar plagen, kunnen elkaar wel aan. Er is gelijkwaardigheid. Nu eens plaagt de een, dan weer de ander, en ze maken het samen weer goed. Vaak zullen beide partijen om de grap kunnen lachen. Het plagen kan overgaan in voortdurende treiterijen waartegen de ander zich niet kan of durft te verweren. Plagen is dan pesten geworden.

 

PESTEN: Als er gepest wordt is het ene kind altijd sterker dan het ander. De een wint dus altijd en de andere is de verliezer. Pesten gebeurt nooit zomaar een keertje. Het kind dat wordt gepest is altijd het mikpunt, daarom is pesten altijd gemeen.


Pesten is een groepsprobleem. Bij pesten heb je te maken met slachtoffers, daders, omstanders, ouders en leerkrachten.


Slachtoffers: Vaak wordt afwijken van de groep als aanleiding gezien voor pesten.(gedrag, kleding, sociale vaardigheid). Iedereen kan het slachtoffer worden van pesten. Iedereen is tenslotte anders. De reactie op het pestgedrag kan varieren van angstig, onzeker gedrag tot angstgevoel uiten in agressief gedrag. Ze slaan of zeggen iets terug maar zijn hierin niet doeltreffend. Het veroorzaakt vaak een negatief zelfbeeld. Voortdurende treiterijen is zeer destructief voor het zelfvertrouwen. Zo wordt een vicieuze cirkel geboren: de gepeste kan zich niet verweren het geen de pester aanmoedigt door te gaan.

 

Daders: Er zijn verschillende motieven om tot pesten over te gaan. Soms is dit pure verveling. Het kan ook zijn uit een frustratie die ze willen afreageren, of jaloezie. Soms is de dader vroeger zelf gepest of bang gepest te worden, en probeert hij door iemand anders te pesten de aandacht van andere potentiële pesters af te leiden van zichzelf. Iemand kan ook denken de populairste leerling van de klas te zijn door zich aan de slachtoffers "op te trekken". Meestal pesten ze alleen als ze in een groep zijn, of voldoende (passieve) medestanders hebben. De meeste daders durven niets te ondernemen als ze zich onvoldoende gesteund voelen.


Omstanders: Meepesters: omdat ze bang zijn voor de pester of omdat ze er zelf beter van worden (status, krijgen van snoep). Zwijgers: ze nemen geen stelling, vinden het de eigen schuld van het slachtoffer, willen geen ‘klikspanen’ zijn of zijn zelf bang slachtoffer te worden.

 

Ouders en docenten zien pesten vaak ten onrechte voor plagen aan. Hierdoor ontgaat veel pestgedrag hen.

 

Bekende vormen van pestgedrag zijn:

  1. Met woorden; uitlachen, schelden, spotten, bedreigen, vernederen, roddelen of het slachtoffer doodzwijgen;
  2. Het slachtoffer in de les voortdurend afleiden. Vaak komt het ook voor dat het slachtoffer, wanneer hij iets terugzegt of terugslaat, van de leraar straf krijgt. Dit tot groot vermaak van de daders;
  3. Fysieke intimidatie; duwen, trekken, slaan, schoppen, achtervolgingen, stelen of vernietigen van bezittingen,
  4. Verbale intimidatie; Afpersing; dwingen iets af te geven of iets te doen voor de pester
  5. Voortdurend kritiek op het slachtoffer uitoefenen;
  6. Cyberpesten/digitaal of digipesten is het pesten via internet.

 

Bron: www.pesten.net, www.wikipedia.org